![]() |
| Broome to Perth |
Welcome to our weblog!
Op 19 September vertrekken wij voor ruim 8 maanden om door Maleisie, Australie, Nieuw Zeeland en Afrika te reizen. Op deze weblog zullen we regelmatig berichtjes en foto's plaatsen, zodat je onze avonturen kunt volgen. Naarnaast willen wij je uitnodigen om een berichtje voor ons achter te laten of een aanbeveling met plekken of hostels/hotels/campings die de moeite waard zijn.
On 19 September we are leaving for over 8 months to go travelling through Malaysia, Australia, New Zealand and Africa. We will regularly post messages and photos on this weblog so that you can track our adventures. Please feel free to leave your message or recommend places that are worth visiting or staying at.
On 19 September we are leaving for over 8 months to go travelling through Malaysia, Australia, New Zealand and Africa. We will regularly post messages and photos on this weblog so that you can track our adventures. Please feel free to leave your message or recommend places that are worth visiting or staying at.
vrijdag 7 december 2007
Photos Broome to Perth
Please click on the link below and then click on the 'diavoorstelling' button, just above the photo labelled 'Seagull on Cable Beach.
Carnavon to Perth
We hebben het gehaald. Na 4 ½ week is er een einde gekomen aan ons 4WD avontuur en zijn we veilig in Perth aangekomen. In 33 dagen hebben we hebben 8511 kilometer afgelegd, we hebben vele euros uitgegeven aan diesel, we zijn in 16 Nationale Parken geweest, we hebben 6 keer ‘ge-bush-campt’, we zijn 2 keer vast komen te zitten, we hebben 1 keer een lekke band gehad, we hebben de auto 1 keer moeten laten repareren, we hebben prachtige zonsondergangen gezien en hebben talloze ontmoetingen gehad met het Australische wildlife – krokodillen, kangaroes, wallibis, allerlei hagedissen en vogels, emoes, zeekoeien, en dolfijnen. Onze huid is bruin en ook onze kleren hebben een permanente bruinrode tint gekregen, die er zelfs na een paar keer wassen niet meer uit te krijgen is.
Na Coral Bay zijn we via de Blowholes doorgereden naar Carnavon. De Blowholes zijn een natuurlijk fenomeen 70 km aan de kust boven Carnavon. Door wind en water zijn er gaten uit de kliffen gesleten, waar met het inrollen van de golven, grote hoeveelheden water doorheen spuit. In Carnavon kwamen we Colin en zijn vrouw weer tegen. Colin is een Australier van zo’n 55 jaar die we op de camping in Point Samson hadden leren kennen, en we daarna nog zijn tegen gekomen waren in Exmouth en Coral Bay. Twee en een half jaar geleden besloten hij en zijn vrouw hun huis en inboedel te verkopen, en sinds die tijd reizen ze met hun caravan rond in Australië, waar ze af en toe een paar maanden op één plaats blijven om te werken en geld te verdienen. Want, zo zegt hij, zo zien ze nog een beetje van de wereld voordat ze dood gaan. Colin is trouwens niet de enige die zo denkt. Een hoop oudere en gepensioneerde Australiërs reizen rond met een caravan. Aan de contrapsies die ze om hun sleurhutten heen gebouwd hebben, lijken sommigen soms permanent te wonen in de caravan parken waar we regelmatig overnachtten. In Carnavon is een zelfs een Retiree Caravan Park, een camping speciaal voor gepensioneerden, waar regelmatig ‘gepaste’entertainment verzorgd wordt.
Na Carnavon zijn de doorgereden naar Monkey Mia, gelegen aan het Werelderfgoed van Shark Bay. Shark Bay is een grote, zeer ondiepe baai (op de meeste plaatsen maar een paar meter diep), die grotendeels begroeid is met zeegras, en daarom een thuisbasis is voor 10% van alle zeekoeien te wereld, en daarnaast bescherming biedt aan zo’n 300 dolfijnen, verschillende soorten haaien, zeeslangen en roggen. Iedere ochtend komen er aan het strand van Monkey Mia een aantal wilde dolfijnen naar de kust om daar, onder streng toezicht van de rangers, gevoerd te worden door toeristen en vrijwilligers. Een redelijk spektakel, wat tussen de 50 en 150 toeristen trekt. De dolfijnen krijgen maximaal 1/3 van hun dagelijkse behoefte aan vis gevoerd, zodat ze hun eigen jagersinstinct niet verliezen. Toen wij er waren was er net een jonkie geboren, die samen met zijn moeder iedere ochtend langs kwam. Ontzettend leuk om zo’n jong, speels dolfijntje te zien zwemmen en spelen.
Na 1½ dag Monkey Mia, waar we nog een zeiltocht gedaan hebben met de Shotover, een prachtige Katamaran die een aantal wereldrecords op zijn naam had staan, hebben we een bezoek gedaan aan het Francois Perron National Park. Het park is alleen toegankelijk voor High Clearance 4WD voertuigen en de tracks bestaan grotendeels uit zacht en diep zand. Er werd ons aangeraden om onze banden flink leeg te laten lopen, en het was ongelooflijk hoeveel verschil dat maakte! Op geen enkel moment kwamen we vast te staan, zelfs niet toen we vanuit stilstand uit 30 cm diep zand weg moesten rijden. Het park bood prachtige aanblikken aan de kust, waar dieprode kliffen samenkwamen met witte zandstrange en een helder blauwe zee. Vanuit het viewing platform bij Skipjack Point, hoog gelegen op de klifen, hadden we een prachtige uitzicht op de ondiepe baai van Shark Bay, waar we enorme roggen konder zien zwemmen – erg spectaculair! ’s Avonds overnachtten we op een bushcamping aan het strand, vanwaar we een direkt uitzicht hadden op de Big Lagoon.
We begonnen ook ineens te merken dat we verder naar het zuiden gingen aan de temperaturen. Overdag in de zon was het ineens lekker, en ’s avonds werd het ineens fris. Dat waren we niet meer gewend. Zo hebben de slaapzakken maar tevoorshcijn gehaald, en hebben we ’s avonds zelfs een aantal keer in de campervan gegeten omdat het buiten te hard waaide en te fris was. Het grootste voordeel was echter, dat we weer wat langer konden uitslapen, omdat we niet meer zo vroeg de campervan uitzweetten. Omdat het ook veel langer licht is in het zuiden, dan toen we begonnen in het noorden, is het ook niet zo erg meer, dat we ’s ochtends wat langzamer op gang kwamen, aangezien de dagen ook veel langer zijn.
Na nog 1 nachtje in Monkey Mia gebleven te zijn, reden we de volgende dag door naar Kalbarri, bij uitzondering een leuk kustplaatsje, dat toegang biedt tot het Kalbarri National Park, waar een aantal spectaculaire Coastal en River Gorges te bewonderen zijn. ’s Ochtends werd op het strand tegenover onze camping de pelicanen gevoerd, een leuk spektakel, hoewel niet zo bijzonder als de dolfijnen in Monkey Mia. Na 1½ in Kalbarri zijn we een flink stuk verder gereden naar het zuiden over de Indian Ocean Highway, waar we in de buurt van Sandy Cape tussen Leeman en Jurien Bay een prachtig plekje aan een baai vonden om te wild kamperen. Het plekje was door een aantal eerdere wildkampeerders ‘Champagne Bay’genoemd (zie foto), een toepasselijke naam.
De volgende dag zijn we de omgeving een beetje gaan verkennen. In Stockyard Gully National Park, konden we met zaklampen zelf door een ondergrondse tunnel van kalksteen lopen en in het Lesueur National Park hebben we een prachtige (maar enigszins regenachtige) wandeling gedaan langs allerlei mooie planten en bloemen – na al die weken in droogte wel even wat anders regen en heel veel verschillende soorten groen. ’s Avonds zijn we vanaf onze camping in Cervantes naar de Pinnacles desert gereden, een woestijn van geel zand vol met puntige, zandstenen rotsen. Erg mooi, maar een Sinterklaas gevoel kregen we er niet van.
De laatste dag van onze trip zijn we nog één keer naar de Pinncles gaan kijken en daarna via Yancep National Park naar Perth gereden. We blijven hier tot woensdag, en nemen dan de trein terug naar Adelaide, een reis van bijna 48 uur!
Na Coral Bay zijn we via de Blowholes doorgereden naar Carnavon. De Blowholes zijn een natuurlijk fenomeen 70 km aan de kust boven Carnavon. Door wind en water zijn er gaten uit de kliffen gesleten, waar met het inrollen van de golven, grote hoeveelheden water doorheen spuit. In Carnavon kwamen we Colin en zijn vrouw weer tegen. Colin is een Australier van zo’n 55 jaar die we op de camping in Point Samson hadden leren kennen, en we daarna nog zijn tegen gekomen waren in Exmouth en Coral Bay. Twee en een half jaar geleden besloten hij en zijn vrouw hun huis en inboedel te verkopen, en sinds die tijd reizen ze met hun caravan rond in Australië, waar ze af en toe een paar maanden op één plaats blijven om te werken en geld te verdienen. Want, zo zegt hij, zo zien ze nog een beetje van de wereld voordat ze dood gaan. Colin is trouwens niet de enige die zo denkt. Een hoop oudere en gepensioneerde Australiërs reizen rond met een caravan. Aan de contrapsies die ze om hun sleurhutten heen gebouwd hebben, lijken sommigen soms permanent te wonen in de caravan parken waar we regelmatig overnachtten. In Carnavon is een zelfs een Retiree Caravan Park, een camping speciaal voor gepensioneerden, waar regelmatig ‘gepaste’entertainment verzorgd wordt.
Na Carnavon zijn de doorgereden naar Monkey Mia, gelegen aan het Werelderfgoed van Shark Bay. Shark Bay is een grote, zeer ondiepe baai (op de meeste plaatsen maar een paar meter diep), die grotendeels begroeid is met zeegras, en daarom een thuisbasis is voor 10% van alle zeekoeien te wereld, en daarnaast bescherming biedt aan zo’n 300 dolfijnen, verschillende soorten haaien, zeeslangen en roggen. Iedere ochtend komen er aan het strand van Monkey Mia een aantal wilde dolfijnen naar de kust om daar, onder streng toezicht van de rangers, gevoerd te worden door toeristen en vrijwilligers. Een redelijk spektakel, wat tussen de 50 en 150 toeristen trekt. De dolfijnen krijgen maximaal 1/3 van hun dagelijkse behoefte aan vis gevoerd, zodat ze hun eigen jagersinstinct niet verliezen. Toen wij er waren was er net een jonkie geboren, die samen met zijn moeder iedere ochtend langs kwam. Ontzettend leuk om zo’n jong, speels dolfijntje te zien zwemmen en spelen.
Na 1½ dag Monkey Mia, waar we nog een zeiltocht gedaan hebben met de Shotover, een prachtige Katamaran die een aantal wereldrecords op zijn naam had staan, hebben we een bezoek gedaan aan het Francois Perron National Park. Het park is alleen toegankelijk voor High Clearance 4WD voertuigen en de tracks bestaan grotendeels uit zacht en diep zand. Er werd ons aangeraden om onze banden flink leeg te laten lopen, en het was ongelooflijk hoeveel verschil dat maakte! Op geen enkel moment kwamen we vast te staan, zelfs niet toen we vanuit stilstand uit 30 cm diep zand weg moesten rijden. Het park bood prachtige aanblikken aan de kust, waar dieprode kliffen samenkwamen met witte zandstrange en een helder blauwe zee. Vanuit het viewing platform bij Skipjack Point, hoog gelegen op de klifen, hadden we een prachtige uitzicht op de ondiepe baai van Shark Bay, waar we enorme roggen konder zien zwemmen – erg spectaculair! ’s Avonds overnachtten we op een bushcamping aan het strand, vanwaar we een direkt uitzicht hadden op de Big Lagoon.
We begonnen ook ineens te merken dat we verder naar het zuiden gingen aan de temperaturen. Overdag in de zon was het ineens lekker, en ’s avonds werd het ineens fris. Dat waren we niet meer gewend. Zo hebben de slaapzakken maar tevoorshcijn gehaald, en hebben we ’s avonds zelfs een aantal keer in de campervan gegeten omdat het buiten te hard waaide en te fris was. Het grootste voordeel was echter, dat we weer wat langer konden uitslapen, omdat we niet meer zo vroeg de campervan uitzweetten. Omdat het ook veel langer licht is in het zuiden, dan toen we begonnen in het noorden, is het ook niet zo erg meer, dat we ’s ochtends wat langzamer op gang kwamen, aangezien de dagen ook veel langer zijn.
Na nog 1 nachtje in Monkey Mia gebleven te zijn, reden we de volgende dag door naar Kalbarri, bij uitzondering een leuk kustplaatsje, dat toegang biedt tot het Kalbarri National Park, waar een aantal spectaculaire Coastal en River Gorges te bewonderen zijn. ’s Ochtends werd op het strand tegenover onze camping de pelicanen gevoerd, een leuk spektakel, hoewel niet zo bijzonder als de dolfijnen in Monkey Mia. Na 1½ in Kalbarri zijn we een flink stuk verder gereden naar het zuiden over de Indian Ocean Highway, waar we in de buurt van Sandy Cape tussen Leeman en Jurien Bay een prachtig plekje aan een baai vonden om te wild kamperen. Het plekje was door een aantal eerdere wildkampeerders ‘Champagne Bay’genoemd (zie foto), een toepasselijke naam.
De volgende dag zijn we de omgeving een beetje gaan verkennen. In Stockyard Gully National Park, konden we met zaklampen zelf door een ondergrondse tunnel van kalksteen lopen en in het Lesueur National Park hebben we een prachtige (maar enigszins regenachtige) wandeling gedaan langs allerlei mooie planten en bloemen – na al die weken in droogte wel even wat anders regen en heel veel verschillende soorten groen. ’s Avonds zijn we vanaf onze camping in Cervantes naar de Pinnacles desert gereden, een woestijn van geel zand vol met puntige, zandstenen rotsen. Erg mooi, maar een Sinterklaas gevoel kregen we er niet van.
De laatste dag van onze trip zijn we nog één keer naar de Pinncles gaan kijken en daarna via Yancep National Park naar Perth gereden. We blijven hier tot woensdag, en nemen dan de trein terug naar Adelaide, een reis van bijna 48 uur!
Exmouth and Coral Bay
Exmouth
Na ons vliegenavontuur in de bushcamp en ontbijt tijdens het rijden (door de vliegenoverlast) waren we het allemaal een beetje zat, dus besloten we zodra we in Exmouth zouden aankomen een goed caravanpark op te zoeken. Aangekomen in Exmouth, voor Australische westkust begrippen toch wel een redelijk grote stad, hebben we eerst wat foldertjes verzameld bij het lokale toeristen informatie bureau. Alle activiteiten en bezienswaardigheden waren volgens de foldertjes allemaal het beste en het meest de moeite waard om te zien of te doen, maar ervaring heeft ons inmiddels geleerd dat dit meestal niet helemaal waar is. Zo ook hier, een hoop dure tours die weinig meer bieden dan dat we zelf konden doen. Dus hebben we op eigen houtje zo’n beetje alle bezienswaardigheden zelf bezichtigd. Ook hebben we gesnorkeld in Turqoise bay, een van de beste snorkel spots in de buurt van Exmouth, helaas konden onze verwachtingen niet worden waargemaakt. Een hoop beschadigd koraal en relatief weinig kleuren. Wel zaten er grote vissen, alleen waren deze nogal schaars. Al met al blij dat we niet betaald hebben voor een tour, aangezien met de huidige diesel prijzen ons budget toch al danig te lijden heeft. Van het geplande duiken hebben we ook maar afgezien, van verschillende mensen gehoord dat het allemaal niet zo heel spectaculair was, en gezien onze snorkel ervaring eerder besloten om het duiken maar te bewaren voor het Great Barrier Reef. Ons caravan park beviel erg goed, heel weinig vliegen en een beetje wind maakten het erg aangenaam. Ook de camp keuken en het sanitair waren erg goed. Ook de bezoekjes van twee emoes waren achteraf gezien wel leuk. In het begin schrik je nogal van zo’n grote vogel, zeker als het lijkt als of hij je achtervolgt. ’s Avonds zijn we nog naar een van de stranden in de buurt gereden om schildpadden te zien. In deze periode komen ze het strand op en leggen ze eieren. Op de weg naar het strand zagen we nog een slang over de weg kruipen, gelukkig zaten wij in de auto. Op het strand hebben we ongeveer 20 minuten moeten zoeken tot we een spoor vonden die ons naar een gravende schilpad leidde. Al met al hebben we bijna het hele proces van een gat graven, eieren leggen en de terugtocht naar zee gezien. Een unieke ervaring, maar je moet wel geduld hebben: ons exemplaar was toch wel 2,5 uur bezig…..maar ja we hadden toch niets anders te doen. Na 3 nachten besloten dat we Exmouth wel weer gezien hadden en zijn we verder afgereisd naar Coral Bay.
Coral Bay
Coral Bay ligt op ongeveer 150 km vanaf Exmouth eenkort stukje rijen dus vergeleken met eerder afgelegde afstanden. In Coral Bay hebben we ook weer een caravan park opgezocht, een beetje luxe is toch wel erg fijn, zeker omdat het allemaal al zo primitief is met onze campervan. Coral Bay is eigenlijk een zelfde soort stadje als Exmouth, ook gelegen aan het Ningaloo reef alleen een stuk kleiner. Hier hebben we gesnorkeld en een broedplaats voor rifhaaien bezocht. Een hoop baby haaien gezien een ook nog een paar grotere (vanaf de kant helaas….we mochten niet snorkelen omdat dit de haaien zou verstoren). We hebben nog zitten twijfelen of we een quad tour wilden doen, maar gezien de prijs hebben we besloten om dit tot Dubai te bewaren. Misschien is het daar net zo duur, maar ik denk wel een stuk spectaculairder met alle zandduinen. Het grote verschil met Exmouth (vooral veel rotsen en stroming) was het fantastische witte zandstrand met azuurblauw water. Na twee nachten zijn we verder gegaan naar Carnarvon, ongeveer 300 km zuidelijker.
Na ons vliegenavontuur in de bushcamp en ontbijt tijdens het rijden (door de vliegenoverlast) waren we het allemaal een beetje zat, dus besloten we zodra we in Exmouth zouden aankomen een goed caravanpark op te zoeken. Aangekomen in Exmouth, voor Australische westkust begrippen toch wel een redelijk grote stad, hebben we eerst wat foldertjes verzameld bij het lokale toeristen informatie bureau. Alle activiteiten en bezienswaardigheden waren volgens de foldertjes allemaal het beste en het meest de moeite waard om te zien of te doen, maar ervaring heeft ons inmiddels geleerd dat dit meestal niet helemaal waar is. Zo ook hier, een hoop dure tours die weinig meer bieden dan dat we zelf konden doen. Dus hebben we op eigen houtje zo’n beetje alle bezienswaardigheden zelf bezichtigd. Ook hebben we gesnorkeld in Turqoise bay, een van de beste snorkel spots in de buurt van Exmouth, helaas konden onze verwachtingen niet worden waargemaakt. Een hoop beschadigd koraal en relatief weinig kleuren. Wel zaten er grote vissen, alleen waren deze nogal schaars. Al met al blij dat we niet betaald hebben voor een tour, aangezien met de huidige diesel prijzen ons budget toch al danig te lijden heeft. Van het geplande duiken hebben we ook maar afgezien, van verschillende mensen gehoord dat het allemaal niet zo heel spectaculair was, en gezien onze snorkel ervaring eerder besloten om het duiken maar te bewaren voor het Great Barrier Reef. Ons caravan park beviel erg goed, heel weinig vliegen en een beetje wind maakten het erg aangenaam. Ook de camp keuken en het sanitair waren erg goed. Ook de bezoekjes van twee emoes waren achteraf gezien wel leuk. In het begin schrik je nogal van zo’n grote vogel, zeker als het lijkt als of hij je achtervolgt. ’s Avonds zijn we nog naar een van de stranden in de buurt gereden om schildpadden te zien. In deze periode komen ze het strand op en leggen ze eieren. Op de weg naar het strand zagen we nog een slang over de weg kruipen, gelukkig zaten wij in de auto. Op het strand hebben we ongeveer 20 minuten moeten zoeken tot we een spoor vonden die ons naar een gravende schilpad leidde. Al met al hebben we bijna het hele proces van een gat graven, eieren leggen en de terugtocht naar zee gezien. Een unieke ervaring, maar je moet wel geduld hebben: ons exemplaar was toch wel 2,5 uur bezig…..maar ja we hadden toch niets anders te doen. Na 3 nachten besloten dat we Exmouth wel weer gezien hadden en zijn we verder afgereisd naar Coral Bay.
Coral Bay
Coral Bay ligt op ongeveer 150 km vanaf Exmouth eenkort stukje rijen dus vergeleken met eerder afgelegde afstanden. In Coral Bay hebben we ook weer een caravan park opgezocht, een beetje luxe is toch wel erg fijn, zeker omdat het allemaal al zo primitief is met onze campervan. Coral Bay is eigenlijk een zelfde soort stadje als Exmouth, ook gelegen aan het Ningaloo reef alleen een stuk kleiner. Hier hebben we gesnorkeld en een broedplaats voor rifhaaien bezocht. Een hoop baby haaien gezien een ook nog een paar grotere (vanaf de kant helaas….we mochten niet snorkelen omdat dit de haaien zou verstoren). We hebben nog zitten twijfelen of we een quad tour wilden doen, maar gezien de prijs hebben we besloten om dit tot Dubai te bewaren. Misschien is het daar net zo duur, maar ik denk wel een stuk spectaculairder met alle zandduinen. Het grote verschil met Exmouth (vooral veel rotsen en stroming) was het fantastische witte zandstrand met azuurblauw water. Na twee nachten zijn we verder gegaan naar Carnarvon, ongeveer 300 km zuidelijker.
Broome to Karijini National Park
Maybe because we’ve been travelling for 2 months already and are suffering from the so called ‘travellers fatigue’, maybe it is because there was nothing of interest between Broome and Karijini or maybe we’re just suffering from the Australia blues – too many flies, too hot and too expensive - but the last couple of days have been more uncomfortable than enjoyabe. Whereas a lot of you have commented on the high ‘wish you were here’ factor of the stories and photos we have posted until so far, the following story will probably leave you with more of a ‘happy I am at home’ feeling.
It all started off on the day we left Broome. Not having seen everything the town has to offer, we decided to spend a couple of hours visiting some of the main sights, before heading further down south. Our first stop was the lighthouse, from where some dinasaurs footprints can be seen in the rocks down at the beach. However, just like the two other main phenonoma that Broome is famous for – the staircase to the moon and the WWII plainwrecks, these can only been seen at extremely low tide between March and October. Bummer! We also couldn’t find the concrete cast of the prints, which is just by the lighthouse, so returned to the car in the scorching heat to retrieve the map so that we could locate them. This was the second time we went back to the carpark, the first time being because I couldn’t find the keys, which I had stupidly left on the picknick bench.
After the lighthouse we drove around the residential area of Broome for at least 30 minutes looking for an unsecured Wifi network so that we could check our email and update the weblog, but to no avail. We then decided to get some petrol, quickly visit the pearl vessels and set off. But we found the petrol at the Shell rather expensive so decided to drive to the Caltexx, which turned out to be exactly the same price. As we had more discount tickets for the Shell (you get these every time you spend more than $30 at certain supermarkets), we returned to the Shell, only to find that they were refilling on Diesel, which would take at least another 20 minutes. So we decided to visit the Pearl vessels first, where I got told off for refilling my waterbottle from the water machine.
That night we had planned to bushcamp near the ruins of a farm along the road, but when we got there, the gate was locked and it said it was private property. We then returned to an overnight carpark, but that was a dump, so we decided to continue our journey to 80 Mile Beach, where we hoped we could bushcamp along the beach. However, no bushcamping was allowed at 80 Mile Beach and we didn’t want to spend another $30 on a caravan park. So we continued our journey and found a pretty good spot along a small unsealed road just before a parking spot. René made a nice bonfire, I cooked up a tasty salad, and after waiting for it to get dark enough for the flies to disappear, we enjoyed a nice meal at our secluded camping spot.
Until… I woke up in the middle of the night because I heard voices. Camping in the middle of nowhere completely on your own can be a little frightening at times, but it gets a lot more scary when it’s you and one stranger. My sleepy brain first was afraid it was the ‘bushcamp police’ (as if!), then I was worried it would be a couple of drunk Aboriginals, but finally we realised we heard an engine running and saw a couple of headlights. The voices and torch went past us, and then came back again, and then the high beams went on and we heard a lot of maneuvring for a long time. After discussing our little scare the next morning, we figured it was probably a roadtrain that had driven into our little road thinking it was the parking spot. Realising his mistake, the driver went to explore the road to find out whether it came back to the main road. When this turned out not to be the case, he must have disconnected the trailers and turned them around manually, taking over 1 hour of maneuvring. I guess he was a lot more p*d off than we were scared.
The next day we continued our journey to the Dampier peninsula, which had been recommended to us by our Australian neighbours in Broome. Expecting a couple of quaint seaside towns and villages, we were disappointed to have ended up in ‘Industry Central’, a bit like a widely spread Pernis. Thankfully the campsite they had recommended in Point Samson did not disappoint, with excellent facilities, such as Wifi (hooray!), indoor camp kitchen and recreation room (very important considering there were again about 1 million flies around). The campsite was only at 2 minutes walk from the Honeymoon Cove, which sounded promising, so we donned our snorkling gear and headed for the beach… to find the sea offered little visibility and was infested with sea lice.
After the continuing breeze allowed us a lovely sleep and a tiny lie in until 8 am, we set off the explore the rest of the peninsula which, according to the local tourist brochure, offered lots of interesting things to see and do. The brochure must have been written by someone that can sell ice to eskimos, because these attractions turned out not half as interesting as they sounded. The main sight in the tiny town of Wickam was a yellow steam engine and the ghost town of Cossack with its 100 year old ruins was a disappointment (old and culture have a slightly different meaning in Australia than in Europe). We couldn’t be bothered to do the 6 km heritage trail considering we were covered by 50 flies after 5 minutes outside of the car, but the lookout near Settlers Beach turned out to be pretty nice. Dampier was every bit as horrible as can be expected of a major industrial port (a bit like putting a beach in the middle of Rotterdam harbour), we couldn’t find the unmarked trail to the Gorge with Aboriginal art, and the Visitor Center of the Onshore Gas Plant wasn’t very amazing either. The fully airconditioned shopping centre in Karratha was pretty good though, even though we have no money to buy anything because Australia is even more expensive than Europe. And did I mention the temperatures are between 35 and 45 Celsius (hitting 49 in the shade yesterday) and that there are lots of flies? We decided to dodge the flies and the heat and spend the rest of the day by the pool in a Caravan Park in Roeburne.
The next two days we spent in the Karijini National Park, which was wonderful (despite the bottle of Cordial that broke and covered everything with a nice sticky layer – which happened on a campsite with no running water!). We travelled over a private road along the Iron Train Track, saw 3 big Iron Trains with an estimated length of 2 km each and 200+ carts, visited a number of amazing gorges (some with a depth of 100 metres), swam in natural pool and showered under a waterfall. I also managed some challenging 4WD going up Mount Nameless, which I’m very proud of. The incredibly steep unsealed, rocky track could only be taken in Low 4WD Gear, as we found out when we got stuck in the middle of the hill and even some pretty impressive gas clutch balancing only resulted in us rolling slowly backwards as soon as the handbreak was released.
Last night, we were suffering from the highest fly concentration until so far, being covered in at least 100 flies within minutes of exiting the car. Even our flynets didn’t offered enough protection, with some flies being able to get underneath it and into our noses, eyes, mouths and ears. Even nightfall wouldn’t bring enough relief. When we eventually retired into our oven of a vehicle, it took us 20 minutes to kill off at least 20 flies with our flipflops, before we could lay down and sweat without buzzing. So when you’re going to bed tonight, in your cool, comfortable and insectless bed, think of us and indulge in the luxury of being at home.
It all started off on the day we left Broome. Not having seen everything the town has to offer, we decided to spend a couple of hours visiting some of the main sights, before heading further down south. Our first stop was the lighthouse, from where some dinasaurs footprints can be seen in the rocks down at the beach. However, just like the two other main phenonoma that Broome is famous for – the staircase to the moon and the WWII plainwrecks, these can only been seen at extremely low tide between March and October. Bummer! We also couldn’t find the concrete cast of the prints, which is just by the lighthouse, so returned to the car in the scorching heat to retrieve the map so that we could locate them. This was the second time we went back to the carpark, the first time being because I couldn’t find the keys, which I had stupidly left on the picknick bench.
After the lighthouse we drove around the residential area of Broome for at least 30 minutes looking for an unsecured Wifi network so that we could check our email and update the weblog, but to no avail. We then decided to get some petrol, quickly visit the pearl vessels and set off. But we found the petrol at the Shell rather expensive so decided to drive to the Caltexx, which turned out to be exactly the same price. As we had more discount tickets for the Shell (you get these every time you spend more than $30 at certain supermarkets), we returned to the Shell, only to find that they were refilling on Diesel, which would take at least another 20 minutes. So we decided to visit the Pearl vessels first, where I got told off for refilling my waterbottle from the water machine.
That night we had planned to bushcamp near the ruins of a farm along the road, but when we got there, the gate was locked and it said it was private property. We then returned to an overnight carpark, but that was a dump, so we decided to continue our journey to 80 Mile Beach, where we hoped we could bushcamp along the beach. However, no bushcamping was allowed at 80 Mile Beach and we didn’t want to spend another $30 on a caravan park. So we continued our journey and found a pretty good spot along a small unsealed road just before a parking spot. René made a nice bonfire, I cooked up a tasty salad, and after waiting for it to get dark enough for the flies to disappear, we enjoyed a nice meal at our secluded camping spot.
Until… I woke up in the middle of the night because I heard voices. Camping in the middle of nowhere completely on your own can be a little frightening at times, but it gets a lot more scary when it’s you and one stranger. My sleepy brain first was afraid it was the ‘bushcamp police’ (as if!), then I was worried it would be a couple of drunk Aboriginals, but finally we realised we heard an engine running and saw a couple of headlights. The voices and torch went past us, and then came back again, and then the high beams went on and we heard a lot of maneuvring for a long time. After discussing our little scare the next morning, we figured it was probably a roadtrain that had driven into our little road thinking it was the parking spot. Realising his mistake, the driver went to explore the road to find out whether it came back to the main road. When this turned out not to be the case, he must have disconnected the trailers and turned them around manually, taking over 1 hour of maneuvring. I guess he was a lot more p*d off than we were scared.
The next day we continued our journey to the Dampier peninsula, which had been recommended to us by our Australian neighbours in Broome. Expecting a couple of quaint seaside towns and villages, we were disappointed to have ended up in ‘Industry Central’, a bit like a widely spread Pernis. Thankfully the campsite they had recommended in Point Samson did not disappoint, with excellent facilities, such as Wifi (hooray!), indoor camp kitchen and recreation room (very important considering there were again about 1 million flies around). The campsite was only at 2 minutes walk from the Honeymoon Cove, which sounded promising, so we donned our snorkling gear and headed for the beach… to find the sea offered little visibility and was infested with sea lice.
After the continuing breeze allowed us a lovely sleep and a tiny lie in until 8 am, we set off the explore the rest of the peninsula which, according to the local tourist brochure, offered lots of interesting things to see and do. The brochure must have been written by someone that can sell ice to eskimos, because these attractions turned out not half as interesting as they sounded. The main sight in the tiny town of Wickam was a yellow steam engine and the ghost town of Cossack with its 100 year old ruins was a disappointment (old and culture have a slightly different meaning in Australia than in Europe). We couldn’t be bothered to do the 6 km heritage trail considering we were covered by 50 flies after 5 minutes outside of the car, but the lookout near Settlers Beach turned out to be pretty nice. Dampier was every bit as horrible as can be expected of a major industrial port (a bit like putting a beach in the middle of Rotterdam harbour), we couldn’t find the unmarked trail to the Gorge with Aboriginal art, and the Visitor Center of the Onshore Gas Plant wasn’t very amazing either. The fully airconditioned shopping centre in Karratha was pretty good though, even though we have no money to buy anything because Australia is even more expensive than Europe. And did I mention the temperatures are between 35 and 45 Celsius (hitting 49 in the shade yesterday) and that there are lots of flies? We decided to dodge the flies and the heat and spend the rest of the day by the pool in a Caravan Park in Roeburne.
The next two days we spent in the Karijini National Park, which was wonderful (despite the bottle of Cordial that broke and covered everything with a nice sticky layer – which happened on a campsite with no running water!). We travelled over a private road along the Iron Train Track, saw 3 big Iron Trains with an estimated length of 2 km each and 200+ carts, visited a number of amazing gorges (some with a depth of 100 metres), swam in natural pool and showered under a waterfall. I also managed some challenging 4WD going up Mount Nameless, which I’m very proud of. The incredibly steep unsealed, rocky track could only be taken in Low 4WD Gear, as we found out when we got stuck in the middle of the hill and even some pretty impressive gas clutch balancing only resulted in us rolling slowly backwards as soon as the handbreak was released.
Last night, we were suffering from the highest fly concentration until so far, being covered in at least 100 flies within minutes of exiting the car. Even our flynets didn’t offered enough protection, with some flies being able to get underneath it and into our noses, eyes, mouths and ears. Even nightfall wouldn’t bring enough relief. When we eventually retired into our oven of a vehicle, it took us 20 minutes to kill off at least 20 flies with our flipflops, before we could lay down and sweat without buzzing. So when you’re going to bed tonight, in your cool, comfortable and insectless bed, think of us and indulge in the luxury of being at home.
Abonneren op:
Posts (Atom)
